Thea Dubelaar Fanclub – Lemniscaatkrant: 'Dubelaar is een fenomeen!'

Thea Dubelaar Collectie

Op deze pagina kun je elke maand een nieuw stuk uit een boek van Thea Dubelaar lezen. Soms is het een leuk, grappig of spannend fragment, dan weer een versje, en soms een heel verhaal! Aan het eind van de rit, als we  van 1979 t/m heden zijn, komt hier een mooie kaft te staan, speciaal hiervoor gemaakt, dan kun je alle stukken uitprinten, en heb je een mooie collectie! En daarna? Daarna gaan we gewoon vrolijk door met deel 2, Thea heeft zoveel geschreven!

 Mrt. 2009        Uit: De held van Oer 

 

Het woud  van de sombere gedachten

 

 Held van Oer

 

… Precies op dat moment snerpte een schrille kreet door het bos. De kreet echode even. Daarna werd het vreselijk stil. Ze stonden allebei stofstijf midden op het pad. Justin huiverde. De angst voor het dode, stille bos was in één klap terug.

            ‘Wat was dat?’ stamelde hij.

Het leek of Maline iets van zich afschudde. ‘Niets,’ antwoordde ze en begon weer te lopen. ‘Het is niets. Denk aan iets vrolijks.’

            ‘Ik kan opeens alleen maar aan verschrikkelijke dingen denken,’ klaagde Justin. ‘Aan iemand die vermoord wordt of gemarteld.’

            ‘Dat is ook de bedoeling. Dit is het woud van de sombere gedachten. Als je je niet verzet, word je hier zo zwaarmoedig dat je doodgaat van treurigheid. Vooruit, denk aan het mooiste moment van je leven. En wat er ook gebeurt: loop door.’

            Justin zocht in zijn geheugen naar iets vrolijks, maar zijn hersens leken wel watten. Hij kon absoluut niet verzinnen.

            ‘Je verjaardag,’ hielp Maline, ‘denk aan je verjaardag.’

            ‘Op mijn laatste verjaardag was mijn moeder ziek,’ begon Justin. ‘Ze kon niet eens een verjaarstaart maken. En er kwam bijna geen visite.’

            ‘Vertel over het volksfeest,’ zei Maline. ‘Hoe noemen jullie dat ook al weer? O ja , de kermis.’ Het klonk een beetje mat.

            ‘Toen ik klein was, ben ik uit de draaimolen gevallen,’ begon Justin weer. ‘Ik was misselijk en ik wilde eruit. Toen ben ik uit de brandweerauto geklommen terwijl hij nog draaide.’

            ‘Wat vreselijk!’ zei Maline. ‘Je had wel dood kunnen zijn. O kromme kruimels, nou doe ik zelf ook al tobberig. Laten we gaan zingen, Justin. Een vrolijk lied moeten we zingen.’

            ‘Ik weet geen lied,’ piepte Justin.

            ‘Dan verzinnen we er een. Een gek lied met heel veel vieze woorden erin.’

            ‘Van poepie, kakkie, schijtje?’ vroeg Justin.

            Maline knikte. ‘Mijn moeder is een geitje,’ zong ze.

            ‘Mijn vader is een bokkie met een sik,’ verzon Justin.

            ‘En ze vrijden en ze vrijden en toen kwam ik,’ zong Maline. Justin giechelde.

            ‘Zingen,‘ riep Maline. ‘Zing en loop, je leven hangt er van af.’

            En daar gingen ze. ‘Poepie, kakkie, schijtje,’ brulden ze al marcherend. ‘Mijn moeder is een geitje.’ Vanuit zijn ooghoek zag Justin tussen de bomen onduidelijke dingen bewegen. Slijmerige, grijzige wezens waren het die kermden en kreunden. De treurige wezens lispelden klagend en fluisterden allerlei vreselijks. Soms stopte Justin met zingen om de griezels te kunnen verstaan, maar dan stompte Maline hem zodat hij vlug weer meezong. Onophoudelijk zongen ze, tot eindelijk, eindelijk in de verte licht schemerde tussen de zwarte stammen.

 

 

 

 

 

 

Feb. 2009          Uit: De straf

 

Hoofdstuk 3

 De Straf

Jef en Aagje woonden al hun hele leven in dezelfde lange straat, maar Jef woonde helemaal aan het andere eind. Hij was naar een andere lagere school geweest en hij speelde nooit buiten. Als Aagje hem ooit per ongeluk tegenkwam, dan staarde hij naar zijn voeten of naar de lucht. Hij zag er altijd wat bozig uit.

            Aagje hield van vrolijk. Naar bozige mensen keek ze gewoon niet. Vandaar dat ze Jef nauwelijks kende. Niemand bij haar thuis kende Jef echt, maar sinds kort zat hij bij Bas in de brugklas en nu fietsten de jongens samen naar school. Al na een paar dagen nam Bas hem mee naar huis.

            ‘Wat heb jij een lange benen,’ riep Jef zodra hij Aagje zag. Pas toen hij dat riep, zagen de anderen het ook. Aagje had de laatste tijd buitengewoon lange benen gekregen.

            ‘Het lijken wel stelten,’ zei oma die was komen theedrinken, maar Aagjes moeder vond dat ze meer de benen had van een hardloopster.

            ‘Nu hoef ik nooit meer hard te lopen,’ zei Aagje zelf, ‘’met zulke lange benen ga ik ook vlug als ik langzaam loop.’

            Ze ging meteen de straat op om het uit te proberen. Statig stapte ze over de stoep. Haar voeten tilde ze hoog op waardoor ze een beetje op een reiger begon te lijken. Dat zag ze toen ze voorbij een winkelruit kwam. Bijna vanzelf begonnen haar armen te vliegen, langzaam en statig. Het verbaasde haar niets dat ze een beetje los begon te komen van de grond.

            ‘Kijk uit, meisje,’ zei de groenteboer die een kist appels naar binnen haalde. ‘Voor je het weet ben je in de hemel!’

            ‘Met zulke dingen moet u niet spotten, groenteman,’ zei een strenge dame, die net de winkel in wilde gaan.

            ‘U heeft gelijk, mevrouw,’ antwoordde de groenteboer. Hij gaf zijn klanten altijd gelijk. ‘Maar het is toch een vreemd gezicht zo’n vliegend kind, waar of niet? Waarom doe je dat eigenlijk?’ vroeg hij aan Aagje. Die stopte met vlieglopen om het uit te leggen.

            ‘Jef zei dat ik lange benen had. Met lange benen kan je grote stappen maken.’

            ‘Grote stappen, gauw thuis,’ zei de strenge dame.

            Aagje knikte. ‘Dat probeer ik nu juist te bewijzen. Dat je langzaam stappend, snel kunt lopen.’

            ‘Ik snap wat je bedoelt,’ begon de groenteman. ‘Maar wat ik niet begrijp, is waarom je met je armen wappert.’

            ‘Nou kijk,’ zei Aagje, ‘waar lijk ik op?’ Ze liep weer statig, haar voeten hoog optillend.

            ‘Een ooievaar, je bent precies een ooievaar,’ riep de dame. ‘Vindt u niet, groenteman?’

            ‘Dat kind heeft wel iets vogeligs over zich,’ antwoordde de groenteboer.

            ‘Dat vond ik ook,’ riep Aagje opgetogen, ‘en daarom ben ik erbij gaan fladderen. En dat werkt. Kijk maar, ik kom los.’

            ‘Hoe voelt het?’ vroeg de dame opgewonden. ‘Hoe voelt het om los te komen?’

            ‘Heerlijk,’ antwoordde Aagje. ‘Het voelt licht en vrij.’ Ze vloogliep statig in een rondje. Er stonden inmiddels heel wat mensen te kijken. Sommigen trokken onwillekeurig hun voeten een voor een omhoog. Anderen bewogen een beetje met hun  armen.

            ‘Je moet je eraan overgeven,’ riep Aagje bemoedigend. ‘Nergens aan denken. Gewoon statig stappen doen. Laat het fladderen nog maar even zitten. Het lopen komt eerst.’ Met een gelukzalige glimlach op haar gezicht stapte ze nu tussen de kijkende mensen door. De strenge dame was de eerste die mee stapte.

            ‘Wat is dit heerlijk!’ riep ze.  ‘Je hebt gelijk, kind. Ik heb me in jaren niet meer zo jong en licht gevoeld.’

            Aarzelend begonnen meer mensen mee te doen. Sommigen deden het ernstig met een diepe rimpel in hun voorhoofd. Anderen werden lacherig van het statige stappen. Ze riepen: ‘Kom op, doe mee!’ naar de mensen die langs de kant stonden te kijken. En omdat het echt heel prettig voelde om zomaar op een middag dwaas rond te stappen midden in een winkelstraat, deden er steeds meer mensen mee.

             ‘En nu fladderen,’ riep Aagje na een tijdje. ‘Voorzichtig en rustig beginnen. Neee, nee niet te wild. Langzaam en sierlijk. Dan  kom je los. Ik vlieg voorop. Wie wil, mag mee.’ Langzaam vloogliep Aagje de straat uit met de niet meer strenge dame vlak op haar hielen. Met een grote boog ging ze terug naar huis.

            Bas stond met Jef voor het raam van zijn kamer, toen de vlieglopende optocht eraan  kwam.

            ‘Nee hè,’ mompelde Bas. ‘Ik droom. Dit kan niet echt gebeuren.’ Hij deed het raam open en leunde naar buiten om de rare optocht beter te kunnen zien. Toen, zomaar vanzelf, riep hij: ‘Aagje, gedraag je!’

            Het was of er een betovering werd verbroken. Aagje bevroor en achter haar stopten de mensen met stappen en fladderen. Iedereen keek elkaar aan, gegeneerd en beschaamd. En daarna ging elk een kant op, zo vlug als hij kon. In een wip was de straat leeg. Alleen Aagje stond er nog in haar dooie eentje.

            ‘Sorry,’ riep Bas van boven. ‘Ik wilde de pret niet bederven.’

            ‘Aagje zuchtte eens diep en haalde toen haar schouders op. Ze keek om naar de lege straat achter haar en opeens moest ze ontzettend lachen. Zo hard, dat ze op de stoeprand neerzakte. Boven hingen Bas en Jef gierend uit het raam totdat Aagjes oma naar buiten kwam om naar huis te gaan.

            ‘Aagje, gedraag je,’ zei ze bestraffend.

            ‘Ja oma,’ snikte Aagje. Van de lach. Hikkend stond ze op en ging naar binnen.

 

 Jan. 2009                 Uit: Een dag om te onthouden

 De wilde kat

 

Een dag om te onthouden

 

 

Hanna hield haar adem in. Haar moeder stond op het punt om weg te gaan, maar op het laatste moment keerde ze zich toch nog om naar de trap.

            ‘Denk erom,’ zei ze , ‘dat je geen rotzooi maakt, anders houd ik straks je kop onder water tot je begrijpt hoe een kind zich hoort te gedragen als haar ouders weg zijn. Of ik draai je oren om tot het goed zeer doet. Als het zeer doet, luister je beter, lijkt het wel.’

            Ze deed een stap in de richting van de trap. Boven op de overloop verstijfde Hanna van schrik. Op dat moment werd papa, die al buiten was, ongeduldig. Hij toeterde lang.

            Het leek of mama haar opeens vergat. Ze draaide zich om en liep naar de voordeur. Voor de deur weer dichtsloeg, was Hanna al bij haar slaapkamerraam. Ze keek neer op haar vaders auto. Die stond te glanzen op de oprit. Het gras en de struiken in de tuin glinsterden , nat van de dauw, maar de auto was droog. Hij had de hele nacht in de garage gestaan. Haar vader vertroetelde zijn splinternieuwe voertuig.

            Hanna haatte de auto. Ze wenste hevig dat de glanzende Mercedes als bij toverslag zou veranderen in een stuk oud roest. Daarom noemde ze het ding albast het Wrak.

            Zodra haar moeder was ingestapt, startte haar vader de auto en draaide de weg op. Het Wrak schoot vooruit, pijlsnel als een raket. Hanna luisterde naar het geluid van de motor. Ze kon het horen tot de auto de hoek om was.

            In het huis was het nu vredig en stil. De meubels stonden onbewogen te pronken. Het satijnbehang op de muren weerkaatste zacht het licht. De gordijnen  bewogen wanneer er een briesje door de tuindeuren waaide.

            Hanna dwaalde door de kamers. Ze voelde zich zorgeloos en licht. Soms bleef ze even staan achter een stoel of vlak bij de muur. Heel stil stond ze dan, alsof ze zelf een meubelstuk was. Ze was een kast of een tafel en dat voelde prettig. Een tafel was nooit bang, een kast was stevig, daar kon niets mee gebeuren.

            Muren waren anders. Ze waren er wel, maar niemand lette ooit op een muur.

            Ik zou wel een muur willen  zijn, dacht Hanna. Een stevige muur met satijnbehang. Ze legde haar handen en daarna haar wang tegen de wand. De muur voelde zijdezacht en koel en sterk. Zo bleef ze staan tot ze achter zich poezenpootjes hoorde.

            Voorzichtig draaide ze zich om. Ze stond  nu met haar rug tegen de muur. Het leek of de wand een kuiltje had waar ze precies inpaste.

            In de kamer liep de witte kat. Hanna had hem al eens eerder gezien. Het was de wilde. Hij was van niemand en hij was zo schuw dat hij alleen te voorschijn kwam als hij dacht dat niemand hem zag. Als je hem probeerde te lokken, dan vluchtte hij weg.

            Ze bleef heel stil staan. Ze wilde niet dat de kat haar zag.

            De kat snuffelde hier en daar en sprong toen op de tafel. De ontbijtspullen stonden er nog op. Vuile boren en kopjes. Een thermoskan met een restje koffie. Hij ontdekte het flesje koffieroom en probeerde zijn tong erin te steken, maar dat lukte natuurlijk niet. Het was een grappig gezicht.

            Hanna giechelde. De kat keek op. Ze had zich verraden. Nu zou hij wegrenen.

            Het dier bleef haar kant uit turen, maar na een tijdje gaapte hij en keek weer naar de koffieroom. Met zijn poot duwde hij het flesje om. Hij likte de room op die over de tafel stroomde. Hanna zag dat het tafelkleed behoorlijk vies werd.

            Toen hij genoeg had van de room, zocht de kat een zonnig plekje op de bank en begon zicht te wassen. Al gauw zat het zwarte fluweel van de bank onder de witte haren. Schandelijk veel vieze haren op de nieuwe bank!

            Tevreden keek de kat rond. Was er verder nog iets leuks?

            ‘Het schaakspel,’ fluisterde Hanna. Het schaakspel stond op het tafeltje naast de bank. De marmeren stukken waren keurig opgesteld. De kat trippelde erheen en tikte met zijn poot tegen een pion. Die viel om en rolde over het schaakbord.

            Ademloos zag Hanna hoe de pion over de rand van de tafel duikelde en op de grond viel. Pats, kapot. De kat gaf nog een tik met zijn poot. Nu spatte de witte koningin uit elkaar op de plavuizen vloer.

            De kat lachte. Hanna zag het duidelijk. Het dier lachte echt en hij mepte grijnzend alle stukken van het bord. Sommige rolden weg tot in de hoek van de kamer of tot onder het wandmeubel. Maar de meeste vielen kapot. In duizend stukken. De vloer lag vol met schilfers wit en zwart marmer. Het er feestelijk uit.

            Hanna genoot. Ze had nog nooit zoiets leuks meegemaakt. Jammer dat haar vader en moeder de schakende kater niet konden zien. Ze zouden uit hun vel springen van woede, razend zouden ze zijn omdat hun geliefde schaakspel aan diggelen lag. En het leukste was dat Hanna het niet had gedaan. Ze konden haar de schuld niet geven. Dit keer niet.

            Ze vergat dat de kat haar niet mocht zien. Ze danste de kamer door. Even zat het dier doodstil, toen mauwde hij verontwaardigd en ging ervandoor. Ze holde achter de kat aan. Hij verdween met en sprong over het hekje achter in de tuin.

            Hanna bleef staan, midden op het grasveld. De zon scheen recht in haar gezicht. De tuin geurde en flonkerde. Er streek een merel neer in het gras vlak bij haar voeten. In de buurtuin joelden kinderen. Ze kon hen niet zien, want er was een hoge muur tussen de twee tuinen. Hanna luisterde naar het gelach en geschreeuw. Jonathan en Ingrid hadden bezoek.

            Jonathan zat bij Hanna in de klas. Hij bemoeide zich nooit met haar. Iedereen op school vond Hanna raar, omdat ze zo stil was en nooit meedeed met spelletjes op het schoolplein. Jonathan wilde niet gezien worden met zo’n raar kind. Daarom bleef hij altijd bij haar uit de buurt. Zelfs als ze ’s morgens tegelijk naar buiten kwamen, liep hij snel door. Ingrid zat nog op de kleuterschool het was een grappig meisje dat altijd huppelde. Net een grote, vrolijke pop.

            ‘Hierheen stommerd, hierheen,’ gilde iemand. Bijna elke vakantie kwamen er kinderen logeren in het buurhuis.

            Hanna pakte een tuinstoel en sleepte hem naar de muur. Ze klom erop en gluurde naar de andere kant.

            Jonathan was met twee jongens aan het voetballen. Ze holden en schopten, ze duwden elkaar weg en vielen over elkaar heen. Ingrid rende mee met de bal en de jongens. Ze hadden allemaal een rooie kop van de warmte en de opwinding.

            Hanna voelde hoe heerlijk het zou zijn om te rennen en te schreeuwen samen met de andere kinderen. Van voor naar achter in de tuin rennen , rennen met de wind in je haar en je wangen bloedheet. Op het schoolplein voelde ze soms ook dat haar lijf mee wilde rennen met een groep, van de ene kant van het plein naar de andere kant. Maar er was iets binnen in haar waardoor ze niet kon rennen,  niet mocht rennen. Alsof het voor haar verboden was om pret te hebben.

            Maar ernaar kijken mocht wel. En kijken naar kinderen die renden, was bijna net zo leuk als zelf rennen. Hanna legde haar hand op de muur en haar wang op haar hand. Nu was het werkelijk alsof ze ook door de buurtuin vloog, over de jongens heen en tussen hen door.

            ‘Andy, Janniek,’ gilde Jonathan. Hij pingelde de bal weg, vlak voor Andy’s neus en schoot hem hoog de lucht in, ver over de uur heen. De bal plofte achter Hanna in het gras.

            Ze sprong van de stoel af. Voordat ze naar de bal toe holde, keek ze schichtig naar het huis. Toen lachte ze. Er was niemand thuis. Niemand die zag dat ze rende, dat ze de bal een schop gaf in de richting van de muur, dat ze hem daar opraapte.

            Net toen ze weer op de stoel wilde klimmen, verscheen het hoofd van Janniek boven de muur. Hij hees zich erop en zwaaide zijn benen er overheen. Hij kwam naast haar op de grond terecht.

Hij keek verbaasd van haar voeten naar haar gezicht. Toen begon hij te lachen.

Hanna lachte terug. ‘Ik wilde hem net overgooien,’ zei ze. Ze hield de bal tegen haar borst geklemd.

‘Ik dacht dat er niemand thuis was,’ zei Janniek.

‘Er is ook niemand thuis,’ antwoordde ze.

‘En jij dan?’ vroeg Janniek. Ze haalde haar schouders op.

‘Kom je mee spelen?’ De lach verdween van Hanna’s gezicht.

‘Nee,’ mompelde ze. ‘Dat mag niet.’

; Van wie niet?’ Ze keek omlaag. Opeens zag ze de bal. Ze gooide hem naar de jongen. ‘Nou, van wie niet?’ vroeg Janniek nog eens, terwijl hij de bal ving.

‘Van Jonathan,’ fluisterde ze.

Janniek klom op de stoel en vandaar op de muur. Hij bleef er bovenop zitten zodat hij de twee tuinen kon zien. ‘Hé Jonathan,’ riep hij. ‘Mag ze meespelen?’

‘Wie?’ vroeg Jonathan.

‘Hanna natuurlijk,’ zei Ingrid. ‘Daar woont Hanna toch.’

‘Van mij mag ze meespelen. Maar dat doet ze toch niet. Het is zo’nm raar kind.’ Jonathan begon te lachen.

Janniek keek omlaag.

Nu ziet hij hoe raar ik ben, dacht Hanna. Ze durde niet omhoog te kijken. Ze wreef met de punt van haar schoen over de grond.

‘Ik vind niet dat ze er raar uitziet,’ zei Jonathan.

‘Kom je nog? Dan kunnen we verder spelen.’

‘Laat mij ook eens kijken,’ riep Andy. ‘Geef me een zetje. Ik wil dat rare kind ook zien.’

            ‘Ze is niet raar,’ zei Janniek nog eens.

Hanna voelde dat hij nog steeds naar haar keek. En ze voelde hoe de knoop weer in haar maag kwam. De knoop waardoor ze niet kon rennen en spelen met andere kinderen. Ze draaide zich om en vluchtte naar huis. Ze ging rechtdoor naar boven, naar mama’s kamer aan de achterkant van het huis. Vandaar gluurde ze naar de muur. Janniek zat er iet meer op. Ze zuchtte opgelucht.

 

Dec. 2008     Uit: Winterspinsels (1995)

 

De IJsfee  

Uit: Winterspinsels

 

De IJsfee

 

‘Koning Winter is in het land,’ zegt grootmoeder. Ze trekt de wollen omslagdoek dichter om zich heen. Niet dat het koud is in huis. De verwarming staat hoog en Wilma heeft het stikheet in haar trui. Maar grootmoeder denkt aan vroeger, heel vroeger. Negentig jaar geleden toen ze zelf nog een klein meisje was.

            Wilma’s oma lacht. ‘Nu gaat ze vertellen over de IJsfee,’ zegt ze zacht tegen Wilma.

            Oma en grootmoeder zijn komen logeren omdat het bijna Kerstmis is. Met kerst zijn ze altijd allemaal samen: Wilma, haar moeder, oma en gootmoeder. En Wilma’s vader natuurlijk. Wilma kijkt naar grootmoeder. Ze is nu echt oud; mager, krom en gerimpeld. Oma is ook wel oud maar zij is nog recht en mollig.

            ‘Wie wil er warme chocolademelk?’ vraagt Wilma’s moeder. Ze komt binnen met een dampende pan.

            ‘Ik,’ roept Wilma. ‘Mag ik er slagroom op?’

            ‘Ga de spuitbus maar uit de koelkast halen,’ zegt haar moeder. ‘Oma en grootmoeder zullen ook wel slagroom willen. ‘Oma knikt, maar grootmoeder staart voor zich uit. Ze heeft niets gehoord, want ze is nogal doof en trouwens, ze is heel ver weg met haar gedachten. Ze murmelt iets.

            ‘Wacht even met vertellen, grootmoeder,’ roept Wilma, ‘ik ben zo terug!’ Ze holt naar de keuken. In een wip is ze terug met de slagroom. ‘Begin maar,’ zegt ze.

            Grootmoeder kijk haar even aan, een beetje verbaasd alsof ze zich afvraagt wie dat kind is dat alsmaar heen en weer holt. Maar dan kijkt ze weer in de verte en begint te vertellen.

‘Heel lang geleden kwam de IJsfee naar het ven. Ze kwam uit het hoge noorden, uit het land van de Lappen waar de winter langer duurt dan de zomer. Gehuld in grijze nevels sloop ze langs de wegen. Onzichtbaar bijna, maar ik zag haar gaan. Ik kon die nacht niet slapen. Ik stond in mijn lange nachtpon voor het raam te kijken naar de donkere weg. En daar ging de IJsfee. Haar voeten raakten de grond niet. Het was of de wind haar optilde en voortdreef. En waar ze langskwam, bevroor het gras zodat er een wit spoor achterbleef.’

            ‘Kijk,’ zei mijn vader de volgende ochtend. ‘De eerste nachtvorst is vroeg dit jaar. Het wordt een strenge winter.’

De IJsfee ging naar het ven, mijn lievelingsven achter in het berkenbos. Het was een donkere waterplas. In het dorp zeiden ze dat hij bodemloos was en dat je naar de diepte werd gezogen als je er te dicht bij kwam, maar dat was niet waar. Ik was die zomer in het water gaan staan, met mijn blote voeten in de zwarte modder net naast de kant met wollegras en zegge. Het water was koud en de modder voelde zacht en een beetje slijmerig. Met mijn hand sloeg ik op het water om rimpels te maken. Er gebeurde niets. De donkere diepte in het midden van het ven bewoog niet en er werd niet aan me getrokken. Na die keer ging ik vaak naar het ven om te kijken naar de geheimzinnige, stille donkerte en ik wenste dat ik kon zwemmen, zodat ik naar het diepe midden kon gaan.

In de herfst dreven er gouden en rode blaadjes op het water. Na een tijdje rotten de bladervlotjes en zonken naar de bodem. De bomen op de oever werden kaal en de kille lucht spiegelde licht in het donkere water.

Op de dag van de eerste nachtvorst ging ik ook naar het ven. Al vroeg stond ik in het berijpte gras. Er hing een witte nevel boven het water. In het midden van de plas waar het anders altijd zo donker en glad was, wolkte het wit.

Het was de IJsfee. Ze steunde en klaagde. ‘Wee, o wee. Waarom was ik zo dom om Koning Winter te tarten. Nu is hij razend en hij achtervolgt me om wraak te nemen. Wee, o wee, waar kan ik schuilen voor zijn wraak?’

Het klonk zo zielig. Ik kreeg medelijden met haar. En terwijl ik naar haar stond te kijken, zag ik dat ze  in het donkere diepe midden van het ven dook. Het water rimpelde en werd weer glad. Een laagje ijs bedekte het water. Het was dun en broos. Ik kon het met een vinger breken.

            Nu wist ik dat ik ’s  nachts niet had gedroomd. De IJsfee was echt. Ik holde naar huis om het te vertellen, maar opeens bedacht ik dat ik niet bij het ven mocht komen. Niemand mocht weten dat ik daar was geweest. Daarom zei ik niets.

            Aan het eind van die dag begon het te waaien. Een ijzige wind kwam uit het noorden. Hij gierde onder de deur door, naar de kamers en gangen. We deden extra truien aan en stookten het fornuis op, maar het bleef koud in huis. De rivieren en sloten bevroren meteen. Het was nog nooit zo koud geweest.

            ‘Koning Winter is vroeg dit jaar,’ zei mijn vader. ‘We moeten extra hout zagen en de voorraden meel en bonen aanvullen.’ Hij hakte ijs uit de sloot om het te smelten, want de pomp was vastgevroren.

            De volgende dag hagelde het. De hagelstenen waren zo groot dat het dakraam kapot hagelde. In de stal hinnikten de paarden. De kat en de hond kropen onder de tafel. Mijn vader spijkerde een plank voor het dakraam. Die nacht sliepen we niet door het vreselijke hagelgeweld. Ik dacht steeds aan de IJsfee in het ven. Ik vroeg me af of Koning Winter haar al had ontdekt.

            Tegen de ochtend hield het op met hagelen. Het werd stil.

            ‘Het sneeuwt,’zei mijn vader.

            ‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik, want op de ramen zat een laag ijs zo dik dat je er niet doorheen kon kijken. Zelfs als je met je nagel krabde, kreeg je er geen kijkgaatje in.

            ‘De stilte,’ antwoordde mijn vader. ‘Alleen als het sneeuwt is het zo stil. Laten we gaan slapen.’

            ‘Het bleef de hele dag donker door de lage wolken en de dichte sneeuw. Iedereen was moe van het lawaai van de hagel. We sliepen de hele dag door en ook nog de volgende nacht.

            ’s Morgens deed mijn moeder de deur open. Erachter was een muur van sneeuw. We konden niet naar buiten. Mijn vader haalde de plank weg van het dakraam. Een grauw licht viel naar binnen. Het was geen dag en geen nacht. Het was ijzig koud en het sneeuwde nog steeds.

            ‘Als het zo doorgaat, raken we helemaal ondergesneeuwd,’ zei mijn vader. ‘moet je de stal zien.’ Alleen de nok van het dak stak nog boven de sneeuw uit. De andere huizen van het dorp zagen we al niet meer. Er was een sneeuwduin op de weg gewaaid. We waren ongerust over de familie en de vrienden die in het dorp woonden, maar we konden niet naar ze toe gaan door al die sneeuw. We wisten dus helemaal niet hoe het met hen was.’

            ‘Waarom belden jullie ze niet even op?’ vroeg Wilma. ‘Dan hoefde je niet meer ongerust te zijn.’

            ‘Vroeger had je geen telefoon,’ antwoordt oma.

            ‘Ssst,’ zegt mama. Ze wijst naar grotmoeder die met haar ogen dicht zit. Ze wil niet gestoord worden in haar verhaal. Zodra het stil is, gaat ze verder.

            ‘Ik stond daar naast mijn vader voor het kapotte dakraam en dacht aan de IJsfee. Als Koning Winter haar vond zou het ophouden met sneeuwen. Dat wist ik zeker. Ik wilde het tegen mijn vader zeggen., maar hij luisterde niet naar me. Hij was bezorgd  over de paarden die gevoerd moesten worden en de familie die misschien helemaal was ondergesneeuwd.

            Ik wilde roepen: ‘Koning Winter luister! De IJsfee zit in het ven.’ Maar toen dacht ik aan het geklaag van de IJsfee. Hoe ze riep: ‘Wee o wee waar kan ik schuilen voor de wraak?’ en dat vond ik zo zielig.

            Mijn moeder nam ons mee naar beneden. Ze wilde niet dat we voor het koude raam bleven staan. Ik pakte stiekem al mijn warme kleren en sloop terug naar de zolder. Mijn vader was naar buiten geklommen en naar de stal gegaan om de paarden te voeren. Ik zag zijn voetsporen in de sneeuw. Ik deed mijn warme kleren aan en klom ook uit het raam. Het was moeilijk om door de sneeuw te lopen. Bij elke stap zakte ik weg. Mijn voeten werden nat. Ik had het koud. Ik verdwaalde ook, want alles zag er zo anders uit. Doordat het sneeuwde kon ik niet ver kijken. Ik wilde teruggaan naar huis, maar de verse sneeuw had mijn sporen bedekt. Ik wist niet meer welke kant ik op moest. Waar was het huis? Waar was het ven?

            ‘Fee!’ riep ik ‘IJsfee kom uit het ven alsjeblieft. Kom me redden. Ik ga dood van de kou.’

            Achter me hoorde ik Koning Winter aan komen waaien. Hij smeet hagelkorrels in mijn gezicht en blies zo hard met zijn ijzige adem dat mijn muts afwaaide en mijn haren recht op mijn hoofd bevroren. Hij pakte me op en smeet me de lucht in. Ik dwarrelde omlaag als een sneeuwvlok. Ik was helemaal wit van het ijs, helemaal bevroren – bijna dood van de kou. En steeds als ik bijna bij de grond was, blies Koning Winter me weer de lucht in.

            Ik riep om hulp, maar niemand hoorde me. Of toch wel… In de verte kwam iets aangesneld. De sneeuw stoof op als een witte nevel.

            ‘Zoek je mij. Koning Winter?’ vroeg de IJsfee. Ze was bleker dan eerst en dunner, bijna doorzichtig als glas.

            ‘Zoek je mij? Hier ben ik. Zie maar dat je me te pakken krijgt.’ Koning Winter brulde van woede. Hij liet me vallen en keerde zich om naar de IJsfee, maar die was al weggewerveld. IJl en wit verdween ze in de verte. Storm, hagel en sneeuw gingen achter haar aan. Koning Winter stoof razend en tierend weg. Het sneeuwen hield onmiddellijk op. De lucht werd helder. De zon begon te schijnen. Het witte landschap deed pijn aan mijn ogen. Een eindje verderop, niet eens zo heel ver weg, zag ik het dak van ons huis. Mijn vader stond bij het dakraam op de uitkijk. Hij holde naar me toe zodra hij me zag. Hij tilde  me op en droeg me naar huis. Mijn moeder maakte een warm bad voor me en wreef me met een handdoek tot ik gloeide.

            ‘Je hebt geluk gehad,’ zei mijn vader. ‘Het is een wonder dat het weer plotseling omsloeg.’

            ‘Dat kwam door de IJsfee, die heeft me gered,’ vertelde ik. ‘Ze heeft haar leven gewaagd om Koning Winter weg te lokken.’

‘Ze ijlt,’ zei mijn moeder. ‘Ze zal koorts hebben door de kou.’

            Niemand heeft ooit willen geloven dat de IJsfee er echt was en dat Koning Winter bestaat, maar ik heb ze met mijn eigen ogen gezien.’ Grootmoeder zwijgt.

            ‘Uw chocola wordt koud,’ zegt Wilma’s moeder. Ze geeft de beker aan grootmoeder.

            ‘Jij gelooft me ook niet,’ moppert grootmoeder.

            ‘Maar ik wel, hoor!’ roept Wilma. ‘Ik geloof u en als het weer koud is, dan ga ik Koning Winter zoeken.’

            Oma en mama lachen, maar Wilma weet zeker dat het haar zal lukken om Koning Winter te zien.

 

 

  Tovertante Archibalda

 Nov. 2008       Uit Tovertante Archibalda (1990) 

 

Tovercirkels

 

De oude klok sloeg negen uur. De statige slagen galmden door het huis terwijl de koperen slinger onverstoorbaar heen en weer ging. Als bij toverslag dachten ze allemaal tegelijk aan het geheimzinnige boek.

‘Dit is een goed moment om het toverboek te bekijken,’ zei tante Alda. In optocht liepen ze naar de boekenkast. Vol verwachting staarden ze naar het boek met de lichtende letters. Tante Alda pakte het voorzichtig. Ze ging zitten en legde het op haar schoot. De kinderen kwamen om haar heen staan. Langzaam sloeg Archibalda het grote toverboek open. Het schutblad was nu donkerblauw met toverachtige flonkertjes. Adje voelde met een vinger aan het blauw.

            ‘Niet doen,’ riep Olaf, want het leek ongepast om die toverflonkers aan te raken. Tante Alda sloeg nog een bladzijde om en ze kwamen bij het titelblad waarop ‘Toverboek’ stond, maar er stond niet bij wie het had geschreven. Hardop las Archibalda het eerste hoofdstuk dat op de volgende bladzijde begon.

 

Tovercirkel

 

Tovercirkel, toverring

Zonder eind, zonder begin,

 

Wijd als de lucht,

Strak als een knoop

Niet te koop, nooit te koop.

 

Het is in jezelf

Het zit binnenin,

 Eind zonder eind

En het begin,

Tovercirkel, toverring.

 

            Even bleef het stil. Toen vroeg Adje: “Wat staat er?’ En  dit keer dachten de anderen hetzelfde als Adje, want niemand had er iets van begrepen.

            ‘Sla nog eens om,’ zei Olaf. ‘Misschien staat er op het volgende blad wat ze bedoelen.’ Maar het volgende blad was wit en de rest van het boek was ook leeg, net zo leeg als gisteren het begin van het toverboek was geweest.

            ‘Ik denk dat we zelf moeten ontdekken wat het betekent,’ zei tante Alda.

            ‘Het gaat over tovercirkels, dat is wel duidelijk,’ zei Olaf.

            ‘ En je kan ze niet kopen,’ fluisterde Monica.

            ‘Het is in jezelf,’ las Bart hardop. ‘Het zit binnenin.’

            ‘Wat een stom boek,’ riep Cissé. ‘Daar heb je toch niets aan, aan zo’n stom boek.’

            ‘Juist wel,’ vond Olaf. ‘Het is echt een toverboek. Die zijn altijd zo geheimzinnig zodat niet iedereen ze kan lezen. Alleen iemand die kan toveren, begrijpt wat er staat.’

            Alle kinderen keken tante Alda aan. Als ze echt kon toveren, moest zij kunnen vertellen wat deze geheimzinnige woorden betekenden.

            ‘Ik denk dat we allemaal cirkels moeten gaan maken,’ zei tante Alda. ‘Ieder op zijn eigen manier. Dan ontdekken we de echte tovercirkel vanzelf.’

            ‘Belachelijk,’ riep Cissé. ‘Daar doe ik niet aan mee. Echt niet!’

            ‘Echt wel,’ riep Adje. ‘Je doet wel mee!’ Cissé wierp hem een vernietigende blik toe.

            ‘Waar bemoei je je mee?’ vroeg ze, maar Adje was al naar haar toegelopen. Hij pakte haar hand en zei: ‘ik doe met jou samen.’

            ‘Moet het buiten of binnen?’ vroeg Olaf.

            ‘Net wat je het beste lijkt,’ antwoordde tante Alda. ‘Maar buiten is lekkerder, want de zon schijnt en de lucht is blauw en de rozen ruiken heerlijk.’

            Cissé rukte zich los en rende weg. Adje stoof achter haar aan.

            Tibilé ging naar het grindterras. Ze zocht er kleine, witte steentjes. Daarmee legde ze een prachtige cirkel op het pad naar de voordeur.

            Bart en Olaf kozen een plek midden in het grasveld. Met schepjes hakten ze de graszoden weg, want ze wilden een zandcirkel maken in het gras. Maar de cirkel mislukte een beetje omdat ze elk aan een kant begonnen. Toen de twee halve cirkels elkaar raakten leek het resultaat meer op een ei. Daarom haalden ze nog wat gras weg. Bart aan de binnenkant en Olaf aan de buitenkant. Elke keer als ze van een afstandje hun werk bekeken, was de vorm anders. Ovaal, langwerpig, krom als een bruine boon en dan groeven ze weer verder tot Tibilé bij hen kwam kijken en vroeg: ‘Wat zijn jullie aan het doen?’

            Bart en Olaf keken elkaar aan en keken toen naar het omgewoelde grasveld. Ze hadden helemaal niet gemerkt dat ze er langzaam maar zeker een slagveld van hadden gemaakt. Overal lagen plaggen gras en bonken aarde. In het midden van het omgewoelde stuk stond  nog één graspol overeind. Er was geen cirkel of ei of zelfs vierkant meer te ontdekken.

            ‘O jee,’ zei Bart, ‘wat zal tante Alda wel zeggen.’

            ‘Misschien kunnen we het weer goed maken,’ mompelde Olaf. Hij begon graszoden bij elkaar te zoeken en legde ze naast elkaar op de kaal geharkte grond. Na een half uurtje werken lag overal weer gras, maar het zag er nog steeds verschrikkelijk uit.

            ‘Er is niets aan te doen,’ zei Bart ontmoedigd.

            ‘Nou, het is ook hardstikke stom zo’n tovercirkel,’ Olaf gooide kwaad zijn schep weg en ging verderop in het gras zitten mokken.

            ‘Wat is er?’ vroeg tante Alda die al een tijdje naar hen had staan kijken.

            ‘Moet je zien,’ zei Olaf en wees naar het verwoeste grasveld.

            ‘O dat,’ antwoordde tante Alda. ‘Ik kreeg net een schitterend idee. Precies op die plek zou ik wel graag een vijver willen hebben. Als jullie even helpen met graven.’ Ze liep weg om in de kelder een schep te halen. De kinderen keken elkaar aan begonnen toen te lachen. Ze rolden gierend door het modderige gras. Cissé en Adje kwamen aanhollen om te horen wat er aan de hand was en zelfs Monica die tot nu toe alleen maar had staan kijken, kwam dichterbij.

            ‘Die tante Alda,’ hikte Bart. ‘Die heeft altijd een goed idee.’

            ‘Ze is echt heel bijzonder,’ lachte Tibilé

            ‘Ze tovert altijd alles weer goed,’ fluisterde Monica.

            ‘Ze is toch een tovertante!’ riep Adje, want dat had hij nu eindelijk begrepen.

 

 

 

Okt. 2008                  Uit ‘Gouden Vleugels’ (1987)

 

Gouden vleugels

 Toen Aureliano een kind was, kwam er op een dag een dichter in zijn dorp. De man zag eruit als een zigeuner die komt goochelen, messen werpen of scharen slijpen, maar de dichter deed niets van dat alles. Hij klom op de rand van de fontein midden op het dorpsplein. Hij ging met zijn rug naar de kerk en zijn gezicht nar het gemeentehuis toe staan en declameerde poëzie. Het waren niet zozeer kant-en-klare gedichten die uit zijn mond rolden, maar meer losse zinnen, waarheden, gelegenheidswensen en toepasselijke begrafenisspreuken.

In korte tijd stonden bijna alle mensen van het dorp voor de fontein te luisteren en Aureliano stond vooraan.

Hij moest omhoog kijken om de zigeuner te zien. In feite stonden de laarzen van de man vlak voor zijn neus en opkijkend zag hij achtereenvolgens: de blinkende gesp van een zwarte riem, een geruit hemd, een kin met daarboven een donker gat, een snor, twee neusgaten en een pikzwarte kuif. Dat alles bewoog. De gesp op de buik, het overhemd op de brost, de kin, de mond, de snor en de kuif wipten en schoven ieder op zijn manier en op een andere maat.

Da was zo spannend om te zien dat Aureliano eigenlijk niet luisterde naar de waarheden, spreuken en wensen, tot de zigeuner omlaag keek, recht in zijn ogen, en speciaal tegen hem zei: ‘Gelukkig ben je pas als de vleugels van de gouden vlinder je ziel hebben  geraakt.’

Aureliano was als door de bliksem getroffen. De spreuk van de dichter stond in helle letters voor hem in de lucht geschreven en hij wist opeens heel zeker dat hij tot nu toe niet gelukkig was geweest. Verdwaasd staarde hij naar boven, zonder ook maar iets anders te zien dan de spreuk. De verdwazing verdween niet. Lang nadat de zigeuner verder was getrokken, liep Aureliano als een slaapwandelaar door het dorp steeds herhalend: ‘Gelukkig ben je pas als de vleugels van de gouden vlinder je ziel hebben geraakt.’

Het enige waar hij nog belangstelling voor had, waren vlinders: hoe ze leefden en hoe je ze kon vangen. Want tussen al die honderden blauwe, gele en paarse vlinders, dag- en nachtvlinders, bos- en riviervlinders, moest toch ergens de gouden vlinder vliegen.

Hij keek naar alles wat fladderde, sliep slechts een paar uur per nacht, at zonder te zien wat er op zijn bord lag en leerde absoluut niets meer op school.

Er werd van alles geprobeerd om weer een normaal kind van hem te maken. Zijn moeder strafte hem met slaag en eenzame opsluiting. Ze knuffelde en verwende hem. Ze gaf hem zoute baden, wissel- en kruidenbaden. Ze deed kalmerende drankjes van de buurvrouw door zijn soep en daarna pepmiddelen die zijn vader van iemand in de kroeg had gekregen. De pastoor kwam in het kleine, schamele huisje, besprenkelde hem met wijwater en mompelde Latijnse gebeden. Maar niets hielp.

Tenslotte was iedereen eraan gewend om Aureliano afwezig achter vlinders aan te zien lopen. Niemand lette meer op hem. Ze lachten alleen maar om de bizarre vlindervallen die hij bedacht en de lokmiddeltjes die hij ontdekte, zoals de dauw van de lila zonneschaduwbloem en tien jaar oude honing.

Vlinders vangend werd Aureliano volwassen en vlinders vangend werd hij oud. Maar op een dag, toen hij naar zijn handen keek verloor hij de moed. Hij zag hoe gerimpeld ze waren, hoe misvormd, de vingers vol reumatiekknobbels, de nagels verkalkt.

‘Ik ben oud,’  mompelde hij. ‘Nog even en ik zal sterven zonder ooit gelukkig geweest te zijn.’

En hij werd opstandig. Waarom had de dichter hem de sleutel tot het geluk laten zien als het geluk niet voor hem bestemd was? Zijn hele leven had hij gezocht naar de gouden vlinder. Al zijn tijd en energie, zijn vindingrijkheid, zijn intelligentie had hij besteed aan het zoeken naar het geluk. Voor niets, alles voor niets.

Verbitterd zonk hij neer aan de oever van de rivier. Hij haatte de vlinders die boven het water dansten, en in het spiegelend oppervlak meende hij het grijnzende gezicht van de zigeunerdichter te zien.

Aan de overkant van de rivier lag een kaaiman. Aurliano bedacht dat hijzelf sprekend leek op kaaiman. Even traag en plomp. Met zijn platte lijf, zijn lange bek, zijn kromme pootjes had het dier geen enkele kans om een konijn of vogel te vangen. Alleen door geduldig af te wachten kon de kaaiman hopen op een prooi.

Kijk hem daar nu liggen, dacht Aureliano. Met zijn bek wijd open, volkomen stil, wacht hij net zolang tot het konijn hem aanziet voor een holle boom, tot de vogel denkt dat hij een aangespoelde stam is. Vogel en konijn lopen ten langen leste uit zichzelf de wijd opengesperde bek in. Wat een val! Zelfs de gouden vlinder zou daar in vliegen.

De gouden vlinder!

 Opens wist hij hoe zijn ziel geraakt kon worden door de vleugels van de gouden vlinder. Hoe dom was hij geweest om er niet eerder aan te denken. Iedereen wist toch dat de ziel door mond het lichaam binnenkomt en door de mond weer wegvliegt. De meest rechtstreekse weg naar de ziel gaat door de mond.

Dol van vreugde sprong hij op. Hij zocht de hoogste en oudste boom uit die hij kon vinden. Hij klom op de dikste tak. Het duurde even voor hij ontdekte hoe hij het beste kon gaan zitten, maar zodra hij dat wist,  leunde hij achterover, op zijn gemak, en deed zijn mond wijd open.

Vanaf dat moment bewoog hij niet meer. Hij at niet meer, sliep af en toe even, altijd met de mond open. Hij sprak geen woord meer. Vol vertrouwen bleef hij zitten wachten op de gouden vlinder. Soms dacht hij dat het gulden wonder ongemerkt naar binnen was gevlogen, want hij voelde zich zo vredig, zo rustig. Gelukkig, dat was misschien het woord. Maar omdat hij niets zeker wist, en ook omdat de tijd zo onduidelijk werd, bleef hij maar zitten waar hij zat,  met zijn mond wijd open.

Langzamerhand verdorde zijn huid, verdroogden zijn ogen, verloor hij zijn haar.

Op een dag kwam er toevallig een man uit het dorp langs de dikste, oudste boom van het bos, en  hij zag boven op de stevigste tak een geraamte zitten, gehuld in vodden. Het door de zon gebleekte doodshoofd had de mond wijd open gesperd. De man maakte een kruisteken, prevelde een schietgebedje en liep snel door. En hij vroeg zich af welke ongelukkige ziel daarboven in de boom was gestorven.

   

 

 

 

 

    Sept. 2008                           Uit: ‘Zand in je limonade’ (1982)

 

                                                Gedicht van Floor                       Zand in je limonade

 

       De keurige dame is dood

       Ze sprong in de sloot

       Helemaal bloot

       Ze brak haar poot

       Het water werd rood

       De dame zag blauw

       En vreselijk grauw

       Van de kou

       En van berouw

                                               Au, au.

     Aug. 2008                                              Uit ‘Sjanetje’ (1979)

De dief in de supermarkt

SjanetjeSjanetje doet boodschappen. Ze duwt een kar door de supermarkt. Daarin legt ze de dingen die ze wil kopen.

            De kar is erg groot. Bijna net zo groot als Sjanetje. Het is moeilijk om nergens tegen aan te rijden. Vooral in de bocht.

            Ze heeft een briefje mee. Daarop staat was ze moet kopen: een pak melk, een zak bruine suiker, een krop sla, een pakje koekjes. Vlak bij de ingang vindt ze de suiker. Ze leest wat er op de zak staat: 500 gram bruine basterdsuiker.

            ‘Vijfhonderd gram,’ zegt ze hardop. De melk staat helemaal achter in de winkel. Ze duwt de kar zo hard ze kan. Krrr, doen de wieltjes. Ze remt net op tijd. Vlak voor de pakken melk staat ze stil. Naast de melk liggen de groenten. Ze neemt een krop sla. Die mag je zelf pakken. Elke krop zit apart in een zak.

            ‘Hmm,’ zegt Sjanetje. Ze staat voor de koekjes. Wat zal ze nemen? Koekjes met chocola? Daar is ze dol op. Maar mevrouw Bloem houdt er niet van. Geen chocoladekoekjes dus.  Ze bekijkt alle pakken. Een voor een. Er zijn spritsen, zandkoekjes, ronde en rechte koekjes. Dikke en dunne. En allemaal zijn ze lekker.

‘Wat moeilijk,’ zegt ze hardop.

‘Neem van alles was,’ zegt iemand naast haar. Het is een oude dame.

‘Daar voor heb ik niet genoeg geld,’ antwoordt Sjanetje.

‘Als ik  niet geen  geld heb, betaal ik niet,’ zegt het oude dametje. Ze loopt met kleine stapjes naar de snoepjes. Ze kiest een pak zuurtjes en stopt die in haar jaszak.

‘Zie je,’ zegt ze. ‘Ik heb net genoeg geld voor brood en kaas. Maar niet voor snoep. En ik ben dol op zuurtjes, Dus neem ik zuurtjes. Ook als ik ze niet kan betalen.’

‘Maar dan steelt u,’ roept Sjanetje verschrikt.

‘Vind je?’ vraagt de oude dame. ‘Kijk eens hoe rijk de winkelmeneer is. Hij kan net zoveel snoepjes eten als hij wil. Ik heb niet eens geld voor één zuurtje.’

‘En als ze het merken?’ vraagt Sjanetje bang. ‘Dan brengen ze u naar de politie.’

‘Ik doe altijd heel voorzichtig,’ stelt het dametje haar gerust. ‘Ze merken nooit wat.’Ze lacht. ‘Weet je al wat je zal nemen?’ vraagt ze.

‘Nog niet,’ antwoordt Sjanetje. ‘Ik moet nog even denken.’

‘Ik ga vast verder. Tot ziens,’ zegt het omaatje.

Sjanetje kijkt haar na. Ze is helemaal in de war. Ze kan niet aan haar koekjes denken.  Ze denkt alleen maar aan de oude dame en wat ze heeft gedaan. Zo’n aardig omaatje. Zou die nu echt zomaar stelen? En als de winkelmeneer het toch merkt! Misschien vindt hij het niet zo erg als arme, oude dametjes een zak snoep meenemen. Misschien doet hij expres of hij niets merkt. Ze denkt aan wat Nadia heeft verteld. Zij heeft gezien hoe de winkelmeneer een jongen betrapte. Die jongen had alleen maar drop gepikt Maar hij moest toch naar de politie.

Vlug neemt Sjanetje een pak koekjes. Ze kijkt niet eens welke. Er staat een rij mensen voor de kassa. Sjanetje sluit achter aan. Het omaatje staat ook in de rij.

‘Laat alsjeblieft niemand iets merken van de zuurtjes,’ denkt Sjanetje. Ze heeft het warm van angst.

Nu is het omaatje aan de beurt. Bliep, doet de juffrouw van de kassa voor het brood. Bliep. Dat is voor de kaas. De juffrouw scheurt het bonnetje af. ‘Dat is drie dertig,’ zegt ze. De oude dame betaalt. Ze pakt het brood en de kaas. Rustig gaat ze de winkel uit. Gelukkig,  denkt Sjanetje.

 

Sjanetje is weer thuis. Ze geeft de tas aan mevrouw Bloem. Die pakt de boodschappen uit.

            ‘Je weet toch dat ik niet van koekjes met chocola houd,’ zegt ze.

            Sjanetje knikt. Ze kijkt naar het pak koekjes met chocola. ‘Dat komt door de oude dame,’  zegt ze verschrikt. Ze vertelt alles aan mevrouw Bloem.

            ‘Ze moest zich schamen,’ zegt mevrouw Bloem. ‘Op haar leeftijd stelen!’

            ‘Maar ze is heel arm,’ zegt Sjanetje. ‘En de winkelmeneer is heel rijk.’

            ‘Sjanetje, wie iets neemt en niet betaalt, steelt!’

‘Ja maar,’ probeert Sjanetje nog.

‘Wie steelt is een dief!’ zegt mevrouw Bloem kortaf.

Sjanetje zegt niets meer. Ze voelt zich verdrietig. En dief, een dief, een dief. Het woord tolt door haar hoofd. Ze gaat de keuken uit. Ze sloft door de tuin. Bij de vijver komt ze Sam tegen.

‘En toch was ze heel aardig, dat omaatje,’ zegt ze tegen Sam.

Een aardige dief dus, mauwt Sam.

‘Zo is het,’ zegt Sjanetje. ‘Een aardige dief.’

Advertenties

1 reactie »

  1. Ik weet het nog als de dag van gisteren dat ik het verhaal Gouden Vleugels lag. Ik heb het zelf gelukkig ook. Jammer dat het momenteel niet overal leverbaar is, ik hoop voor de andere fans voor een snelle herdruk! Leuk deze collectie!

    Reactie door televisieblog — oktober 20, 2008 @ 7:54 am


RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

%d bloggers liken dit: